Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken realiteit, teekenden zich — van het strand gezien — hun zware lijven af tegen het etherisch luchte-blauw, aan de landzijde nog ongerept van de dreigende reuzen,

die aankwamen over de zee

En langzaam werd de zon omsingeld. Het werd een strijd tusschen licht en donker. Vreemde, spokige schaduwen vaagden over de zonnende, hel-rood-lachende daken van het dorp; vale schimmen, als van dooden, slopen door de stegen, bleven trillend op de vensterluiken, in de armelijke binnenkamers op de rood-steenen, begoud-lichte vloeren. In de broeierige atmosfeer waarden ze rond, geruischloos, maar als voorspelling van onheil.

En, onheilspellend-zeker ook, drongen steeds de grauwe wolkenmassa's aan op de zon

Nu is het avond en de storm is losgebarsten.

Hoog werpt de zee haar wit-beschuimde koppen in de lucht, met doffe knallen, als van kanonnen.

De wind, als in opstand, giert en huilt, een woedende daemon, in zijn woede zonder wil, zonder bestemming — In razende snelheid komt hij aan uit de zee, scheert langs het strand, werpt wolken zand omhoog. Dan eensklaps heft hij zich óp in de lucht, met een duizelingwekkende vaart, in lang-gerekte loeiing. Als een tol draait hij daar in de rondte, hoog in de lucht, om plotseling in nieuwe woedevlaag weêr neêr te schieten, kuilen slaande in den grond. Dan stormt hij verder, over 't dorp, grimmig rukkend aan de luiken, kwaadaardig stormloopend

Sluiten