Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de huizen, gooiend schoorsteenen af, smijtend pannen links en rechts; al het lorrige, het schamel-zwakke van de visschershutten doet hij verstuiven in het luchtruim; alleen hun kale rompen van steen bieden hem weerstand, star en stil.

Hij brult, verstoord over hun onwil; hij kwakt zijn breed lichaam er tegen aan, met telkens hernieuwde kracht, als een bezetene. Hij heft zich hoog op, laat zich vallen plat en log-zwaar nêer, rukt hier, schudt daar, huilend. Maar de huizen blijven strak-onwillig staan in den nacht, met binnenin de sidderende menschen, en de orkaan vliegt voort, voort, om ginds hernieuwde pogingen te wagen

Op den dijk staan zij, de enkele mannen, dicht in hun pijekkers, rillend. Verstaan kunnen ze elkander niet, al schreeuwen ze elkaar ook in 't oor. Met moeite houden zij zich op de been, van tijd tot tijd plat liggend op den grond, zich vastklemmend. En hun oogen staren maar, staren maar over de donderende golven, die ver over het strand heenslaan.

Dan, door het zwarte wolkenfloers, een schicht, als van bliksem, één seconde. En het is, of van tijd tot tijd flauw een schot klinkt door het zware golvengebulder heen....

De mannen op den dijk luisteren, in spanning van angstige afwachting

Even buiten het dorp, achter een duin voor de hevig-

2

Sluiten