Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ste windvlagen beschut, ligt de kleine loods met de reddingboot. Een drukte van menschen woelt er thans om heen, in den fantastischen rossen schemer van enkele fakkels. Een warreling van angstig-gejaagde stemmen klatert als een zwak geluid in het monotone doffe bolderen der golven.

Binnen de opengelaten plek, voor de houten schuur, zijn ze bezig, de mannen, de forsche, harige gestalten spookachtig overglansd door 't dansend fakkelschijnsel. Hun lichamen roeren zich met korte, hoekige bewegingen van haast, zeker en practisch, zonder omhaal van onnoodige drukte

En steeds meer menschen komen aangeloopen over 't duin en angstiger en hooger wordt het stemgeklater, met kleine schelle kreten daartusschen soms van vrouwen en, met regelmatige tusschenpoozen, achter het duin, uit zee, de dof-onverbiddelijke schoten.

Het dorp is verlaten, uitgestorven; slechts de wind, als een daemon, onvermoeid, raast er vernielend rond.

Hij heeft gewacht tot ze allemaal goed en wel weg zijn: zijn vader, zijn broer Thijs en Anna, zijn zuster. Pratend, schreeuwend om verstaan te worden, hoort hij hen het plaatsje overgaan, het hekje dichtslaan.

Nu zit hij alleen in de kille kamer, bij 't walmende licht van het kleine olielampje op de tafel. Een sterke tocht trekt door de kamer heen; hij hoort hoe buiten de wind stoot tegen de hoeken van het huis; — nu en dan

Sluiten