Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jas, een paar duim hooge boord, die glom als een spiegel maar waar Adriaans spitse neus bovenuit keek „as een

kat op het punt van verzupen" waagden oneerbiedig

dezelfde boeren die zeiden dat „ie 't zitten" had.

Ook wist Adriaan het wel, dat de meisjes uit het dorp om hem lachten en 't jonge mansvolk hem voor

den mal hield, maar jaloerschheid nietwaar? en

bewijs van weinig ontwikkeling. En voor die kleine verdrietelijkheden was toch als een streelende balsem het besef, dat ieder in 't dorp versteld stond van zijne knapheid.

Nu gaf hij Pleuntje Dammers sinds eenige weken schrijfles, een dood-goed boerenkind van achttien jaar, dat van schrijven niet meer benul had dan een pasgeboren zuigeling.

Pleuntje had een mooi,' frisch kopje, blozende, gezonde wangen, een lokkenvoorraad zoo goud als 't koren en kijkers zoo blauw als de hemel, zooals Adriaan, die ook de poezie beoefende, haar soms kon influisteren, met schalksch toeknijpen van zijn kleine groene katoogjes.

En, of het om die complimentjes was of om zijn groote knapheid, hoe het zij, Pleuntje mocht hem wel; ze had nooit om zijn „scharminkelige moakeloasie" gelachen als de andere meisjes en, na eenige lessen, mocht Pleuntje den jongen meester zelfs héél g&arne. Zoo zaten ze dan gedurende de lessen dicht bij elkaar, Adriaan met Pleuntjes linkerhand in de zijne, die hij van tijd tot tijd een klein guitig kneepje gaf, voor de bemoediging.

Sluiten