Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij had nu de hofstede verlaten en liep op den straatweg die naar 't dorp voerde.

In 't Westen glansden nog gelige strepen van zonlicht, maar de schemering viel meer en meer. Geruischloos schenen vale schimmen over de korenvelden heen te sluipen op hem toe en 't was of ze magere grijpvingers naar hem uitstrekten. En nog dacht hij even aan „ouwe Sanne", die ginds op den molen woonde met haar zoon. Als een zwarte verhevenheid met als smeekend opgestoken wiek-armen zag hij in de verte den molen uitstaan tegen de heldere wit-grijze lucht.

Maar gauw zette hij Sanne van zich af. Wat duvel, hij had nu aan vroolijker dingen te denken. — De avondwind woei een flauw gerucht tot hem, als van juichende stemmen.

Hoor, dat was 't jonge volk, dat den herbenoemden burgemeester een serenade bracht. Dat zou een feest zijn vanavond en de burgemeester had hem, zegge hem, Adriaan Bos, een invitatie gestuurd om te komen feestvieren, zoo heel familjaar met de familie. Ja, ja, Annatje zou wel gezeurd hebben bij 'r pa. Annatje mocht 'm graag, dat wist-ie wel. Ze was wat schraal, zoo'n kip op hooge pooten, maar 'n bom duiten! En wie

weet of 't van avond niet zou zijn: kip ik hèb je

ha ha! Hij zou wel weten wat-ie deê! En tot zoolang was Pleuntje goed. 'n Aardig snuutje had die meid toch, om zóó.... Zijn hoekige mond met de groote, grijnzende slagtanden hapte in de lauwe avondlucht. — En zij

Sluiten