is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een middag in brandende hette.

Paars-overgloeid golft de bloeiende hei onder den straffen, warmblauwen hemel, naar den wazigen horizont weg, met in dat bruinig paars bleekend, verspreid, als kaalgesleten plekken op een donzig kleed, kleine vlakten van geel zand, schel-wit opschitterend in de zonneblakering.

Als lekkende tongen van vuur zijn het, die d'aarde bekruipen, gelijk een reusachtige heibrand, en — witzilveren slang in die vlammen — pijn-kronkelt een eenig paadje naar een ver verschiet. Aan gene zijde van het groepje denneboomen, donker en spichtig geknipt uit de klare lucht, verdiept het zich tot een soort van hollen weg, die met een fikse bocht naar links wijkt; dan weer afloopt, wit en zonnig steeds, in nieuwe richting, tot waar de vlammende vlakte den blauwen hemel draagt.

Daar bij die draaiing is het.

Een hoopje armelijke hutten als omvat in de stevige omhelzing van den bochtenden weg; — vuil en ellendig, een nietig hoekje van misère onder de wijd-guldenen hemelkoepeling.