Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zijn krotten, van plaggen opgetrokken, scheef en pietlutterig zakkend op hun voddige plag-muren, starende, glazig en wezenloos, met een enkel venstertje over de hei. Als zwarte monden gapen de opene deurholten, waardoor, bij de meeste der hutten een vuilgrijze rook naar buiten dwarrelt, die langzaam opkringt in de heldere lucht. Vage geluiden, doffe snauwende stemmen rommelen nu en dan in de krotten, maar voor 't overige is alles stil, heel stil. En puffig-heet in de felle zonnegloeiing, zwijmelen de middaguren heen

Dan eensklaps als een opleving in de levenloosheid van dien weggezwijmden middag, het hard-brutale schelden van een vrouwestem, het huilen van een kind. Twee rood-bruine beenige armen naar buiten stokkend uit een donker deur-gat, duwend een propje kleêren naar voren op de wit-blakerende zandplek voor de hut.

De armen verdwijnen en het propje blijft even, bewegingloos, heel klein en nietig, liggen in de brandende zon. Dan komt er beweging, rillende schokjes, een beentje dat krampachtig over het mulle zand stuipt. Doffe, kort-booze snikjes hikken uit het havelooze lappenpakje en een stemmetje, gesmoord doch woedend, mompelt langs den grond heen: dat wijf, dat wijf, dat wijf....

En eindelijk, langzaam, staat er een klein meisje op, slaat vlug-handig het droge zand van haar bruin-groezelig jurkje, strijkt vluchtig eenige verward-slierende zwarte haren uit het gelaat en gaat dan haastig op zij van de

Sluiten