Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

but, waar onder een afdakje een klein, ruw getimmerd wagentje staat, een soort van diepen bak op twee wielen.

Met besliste rukjes van haar magere armpjes haalt zij het naar zich toe, scharrelt er mee over de ongelijkheid van den muilen grond achter het huisje om, trekkend en rukkend, het kleine lichaam naar achteren hellend, de adem stootend uit den kleinen mond in kreunend gehijg.

Nu de rommelzoo over, die om de hutten verspreid ligt: halzen van flesschen, glinsterende lichtspritsen uitvonkend tusschen het zwart-gele zand, — gebroken klompen, hoopjes aardappelschillen.

Dan begint ze te duwen, na eerst nog schichtig te hebben omgezien naar de hut. De bak wiebelt voort tusschen zijn zeur-piepende wielen als een onwillig dier; blijft plomp steken in kuilen, waar het kleine meisje hem door hijgend trekken uit moet ophalen.

Ze is nu midden op de hei, met in de verte nog slechts de hutten, als zwarte, vormlooze verhevenheidjes.

Met een krijschend gilletje staat het karretje stil; het kind werpt zich plat op den grond en begint met de kleine handen en een roestig messtompje tusschen 't heikruid te woelen, plaggen los te steken, die zij dan een voor een, ze moeilijk dragend tegen haar borst aan gedrukt, in den wagenbak opstapelt. Boven haar brandt schroeiend de zon; als gloeiende vloeistof trilt in de lucht en bedwelmend walmt het heikruid zoet-weeë geuren.

Rooder en rooder wordt het schraal-vuilig gezichtje

Sluiten