Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lange zomerdagen, als de andere kinderen te zamen speelden, schreeuwend en haspelend; in hun kleine brutale monden al gemeenzaam met de vloeken die zij hun vaders dagelijks hun moeders hoorden toewerpen, de ruw-gemeene scheldwoorden waarmee hun moeders haar mannen overstelpten, — kroop zij liefst stil-weg in een hoekje, een plekje in een afgelegen schuur, een zandkuil op de hei, waar ze dan, bang weggedoken, zat te peinzen over allerhande vreemde dingen, die vaag, zonder een bepaalden vorm, ronddwaalden in haar denkend hoofdje, vol van zonderlinge verlangens.

Of wel zocht zij Teunis op, het eenig zoontje van den waard van ,,'t Blauwe Schaap", den éénige ook voor wien zij geen vrees koesterde, die ook nooit haar plaagde of uitschold, maar haar meenam ver de hei op, waar ze heel alleen waren en samen het sprookjesboek bekeken dat hij voor haar uit de stad had meegebracht en dat zij stil, schuw voor ieder ander oog verborgen hield, als iets heiligs.

Op die stille avonden, ver afgedwaald van het gehucht, lieten de beide kinderen de reeks van kleurige prenten aan hun oog voorbijgaan: koningen in gouden koetsen en princessen met witte zwanen en lange glanzende sleepgewaden.

Uren kon zij naar hem zitten luisteren, dien veel grooteren jongen die al vijftien jaar was en in stad op de school ging, — haar armpje vertrouwelijk om zijn middel heen, haar donkere oogen vol bewondering op

Sluiten