Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar stil, fier en als zonder bemerken ging zij door die dagelijks wederkeerende kwellingen van die haar omringden heen. Het leek haar zoo vreemd dat alles, en alles scheen zoo ver, ver van haar af' te zijn

Naar de jonge mannen van het gehucht zag zij niet om. Teunis van het „Blauwe Schaap" was voorgoed naar stad getrokken; schoolmeester was hij geworden zeiden de menschen, en langzamerhand raakte hij uit haar gedachten.

's Morgens, als zij naar het bosch ging om hout te kappen, voelde zij instinctmatig hoe veel blikken, bruut, begeerig, zich op haar richtten, maar zij liep altijd zonder rechts of links te zien, haar oogen op het ruwe, ongelijke zandpad.

Geregeld iederen Zondag verzamelden zich bijna allen van 't gehucht, zoo mannen als vrouwen, in het „Blauwe Schaap", de schamele herberg aan 't einde van den hollen weg. Daar dronken de mannen zich hun roes en vochten de jongens met messen en tracteerden de meisjes op drank.

Thea moest er soms heen, door Geurte-moei — die zij nu anders maar zelden meer gehoorzaamde — gedwongen en dan verdrongen zich de jongens om haar heen en omhelsden en zoenden haar met gretige, vuile tabakslippen. Dan verweerde zij zich wel; liet niet met zich sollen als de andere meisjes, en eens had zij Rooie Koo, die te dicht haar naderde, een slag in 't gezicht gegeven dat het

Sluiten