is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heide ronddwaalde of' in het kleine bosch zat, tusschen de schrale sparrestammetjes, was haar denken geen oogenblik in rust. Zij lag dan weer te staren naar de wolken, zag hoe die voortjaagden aan het uitspansel, de een na de ander, onophoudelijk weer nieuwe. — Dan dacht ze, waar die wolken vandaan zouden komen en — evenals vroeger — dat het net paarden waren, die kwamen aansteigeren met groote pluimen op den kop.

Soms, bij helder weêr, geleken het witte paarden, van glanzend zuiver wit, maar als er regen in de lucht was waren de paarden grijs of zwart.

Dan hield ze niet van hen, want dan scheen het of ze op haar aan kwamen stormen om haar te verpletteren.

Als zij zoo lang naar de lucht had gekeken kon ze soms eensklaps aan haar vader denken, dien zij nooit gekend had, zoomin als haar moeder, van wie zij alleen hoorde spreken door de menschen van 't gehucht. Zoo riepen de kleine jongens vaak, als zij langs kwam en een steen, een kluit aarde haar voorbij vloog of achter tegen haar linnen kapje aan: „Je voader is 'n schobbert en je moer 'n slet!"

Aan haar moeder dacht ze bijna nooit. Ze wist dat die een zuster was geweest van Geurte-moei en sinds lang gestorven, en weinig voelde ze zich aangetrokken tot die onbekende vrouw, die op Geurte-moei moest geleken hebben....

Maar haar vader leefde nog, zij wist dat, zij voelde dat, ze begreep niet waardoor. En zoo kon zij soms

B