is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een boodschap zich in de gelagkamer van het „Blauwe Schaap" had moeten vertoonen en een troepje ruwe jongens op haar aandrong, schreeuwend dat ze met hen drinken moest, — Rooie Koo met zijn forsch lijf zich vóór hen stelde en zoo hen belette haar aan te raken.

Ze had toen even iets warms in zich gevoeld, iets van sympathie en dankbaarheid, zooals zij alleen nog, vroeger, had gevoeld voor Teunis.

.Sinds volgde Koo haar als een hond; putte met zijn stomp besef van galant-zijn zich uit om haar diensten te bewijzen.

Als zij met haar takkenlast over den schouder het bosch uittrad, stond hij vaak haar op te wachten en wilde dan zonder spreken, maar met een dom-goedigen grijns op zijn geitegezicht, de vracht van haar overnemen. Een paar maai had ze hem laten begaan; toen, bang, geweigerd; was snel vooruit geloopen, zwoegend en sjouwend met haar zwaar pak door het mulle zand in de brandende hitte, met alleen de impulsie dien man te ontloopen. Ze was bang voor hem, bang voor zijn kracht, zijn plompe lichaam, zijn wezenloozen grijns.

Spoedig werd er in 't gehucht over hen gepraat en gegrinnikt. De jongens maakten er versjes op:

'n Happie lust die Kootje graag,

Maar nou zit Thea 'm in z'n maag....

Verder nog dan vroeger liep Thea de hei op, tot heur