Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar toch zou hij komen. Ginds, heel ver weg, waar «ie donkere rand van de hei den hemel scheen te raken. Daar was de stad, hadden ze haar verteld. En daarvandaan moest hij komen, dat wist ze zéker. Het zou een heer zijn in een lange zwarte jas en hoogen hoed, zooals zij eens een enkelen keer er twee gezien had, die door 't gehucht getrokken waren. En heel vriendelijk zou hij wezen en zijn hand op haar hoofd leggen en dan zou hij haar meenemen, in een rijtuig, en ze zouden wegrijden, naar de stad toe, en nooit zou ze hier meer terug behoeven te komen

Toen was het gebeurd.

Het was Drie-Koningen-avond.

In de gelagkamer van het „Blauwe Schaap", in dikken walm van stinkenden tabaksrook, speelden de mannen potspel om centen, drinkend en schreeuwend met schorre kelen.

Thea was vroeg in haar bedstee gekropen dien avond, een dompig, door planken afgeschoten hol in een hoek van de kleine hut, waar zij met Geurte-moei sliep en zij nu, alleen, angstig, te luisteren lag naar het woeste getier dat tot haar doordrong.

Soms, bii oneenigheden in het spel, verdubbelde het rumoer, klonken heesche vloeken luid-op, en dan kromp Thea in den diepsten hoek der bedstee weg, haar vingers stoppend in de ooren, voor hare oogen het woeste geblikker van messen.

Sluiten