is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de donkere hut was Geurt,e-moei aan de tafel in slaap gevallen.

Thea zag haar op heure ellebogen voorover liggen, haar schrale, platte borst in schokkige, moeilijke ademhaling.

En onheilspellend-stil, vreemd bij het rauwe gebrul dat van buiten kwam, scheen de hol-duistere ruimte van de hut iets te wachten.

Plotseling toen het haastige, hals-over-koppige binnentuimeien van de wrakkige hut-deur, Thea weêr ineen kruipend, haar oogen met de handen bedekkend, als vreesde zij nu iets ontzettends te zullen gebeuren zien. Geurte-moei kort-hoekig opschrikkend, vragend nog half in dut: „Wie daar? Wat mot-je?...."

Thea, bevend, keek nu toch door de reetjes tusschen haar vingers heen.

Een groote, forsche man was het, die binnentrad; tegen den bleeken avond-hemel achter de nu opene deur zag Thea zijn gestalte uitstaan, hoekig en beslist, een vierkante kop met een ruigen bos krullen op korten stiere-nek. Breede schouders, met lange zware armen, als hamers.

Thea huiverde bij het zien van dien man; een dier leek hij, dacht ze ontzet, haar vingers weêr stijf aaneen sluitend, voor haar oogen.

Maar onbestemde nieuwsgierigheid deed haar een oogenblik later ze toch weêr aarzelend van elkaar spreiden en gluren.

Doch nu sprak de man, een grove, brommende stem, die schokjes joeg door al haar leden. En flets, moê-onver-