is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar vader was eindelijk, eindelijk gekomen en hij was geen heer die haar halen kwam met paard en rijtuig; het was een gewone man, zooals al de anderen van het dorp

In haren arm voelde zij nog pijnlijk den woesten greep van zijn ijzeren vuist. Wat was ze toch heel dwaas geweest van zoo malle dingen te droomen en hoe trotsch zich hooger en verstandiger te wanen dan de menschen om haar heen. Veel dommer was ze geweest dan die allemaal, door aan zulken onzin te gelooven. Maar nu was het uit nu was het uit....

Een paar malen herhaalde zij die woorden luid voor zich heen, vreemd-hol klinkend in de bedsteê-ruimte, als een klacht.

En opeens barstte zij in snikken los.

Een golf van désilluzie was plotseling geslagen over die koud-nuchtere beredeneerdheid heen, en snikkende, als moest zij snikken haar ziel uit, stamelde zij: „M'n droom, m'n mooie lieve droom

Toen, meer en meer onder haar schreiend snikken door, kwam in haar een vreemde helderheid en, als een zachte pijn eerst, langzaam aanvlijmend het weten hoe, nu die droom waarop van kinds-af heel haar leven was gebouwd geweest, zoo wreed was vernietigd geworden, — hoe, met dien droom, nu ook haar levensvatbaarheid vergaan was; zij nu niet meer zou künnen leven.

Maar om dat nu doode van haar ziel, voelde zij tegelijkertijd als een pijnlijken last haar krachtig lichaam van