is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest voorbij hun heele kennismaking, nu twee maanden geleden.

Op het kantoor, waar hij procuratiehouder was, had hij haar broêr ontmoet, met wien hij spoedig vriend geworden was en die hem bij zijn ouders aan huis had geïntroduceerd, vooral omdat hijzelf wees was en geen familie in de stad had. Daar, in den huiselijker kring van zijn vriend, had hij haar leeren kennen. Terstond al had hem getroffen dat zeker kinderlijk-onschuldige in geheel haar wezen, haar zacht-blauwe oogen, heur blond-krullend haar. Iets heel weeks en teers had hij in zich gevoeld, zooals hij ook vaak hebben kon, als hij op zijn lange, eenzame wandelingen een vreemde fijne bloem vond, ergens tusschen 't gras verborgen.

Na dien avond, waarop hij haar voor 't eerst ontmoet had, was hij daar dikwijls teruggekeerd. Het had een lieflijke bekoring voor hem, dat vredig huisgezin, op die stille avonden onder 't glanzig zachte lamplicht daar bijeen. Ze gingen zoo gezellig, zoo vol liefde met elkander om, die menschen, de vader, de moeder, al die kinderen. Die klein-bescheiden menschenkring was meer en meer de zoete attractie geworden voor zijn, toen vaak sombere, eenzame ziel, zacht hem trekkend met de banden van een heerlijk-rustige intimiteit.

En in dat rustige, dat intieme, was zij nog zoo iets héél bijzonders. Ze was een deel van dat lieve gezin en daarom alleen al had hij haar lief; toch, lief had hij haar óok om nog iets anders, iets dat hij zelf niet goed begreep.