Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nooit zag of sprak hij haar alleen; hij had haar altijd gezien te midden van de haren, kon zich ook niet goed voorstellen hoe zij zijn zou buiten dien kring, buiten den stil-wazigen cirkel van het glanzend lamplicht.

Zijn verklaring was heel eenvoudig geweest. Op een avond, dat zij aan de piano wat hadden muziek gemaakt, had hij 't haar ingefluisterd en zij geglimlacht, blij, toch niet verrast, als had zij geweten dat dit komen zou. Voor hemzelven alleen was het eigenlijk een verrassing geweest, dat hij haar zoo ineens gevraagd had. Haar familie zelfs was niet verwonderd; haar vader had maar even bedenkelijk gezegd dat zij zoo jong nog was en zij

elkaar zoo weinig nog maar kenden Dat alles dacht

hij nu nog eens over, terwijl zij langzaam voortliepen, dien snik-heeten middag van hun eerste samenzijn alleen.

„Wat ben je stil?" zeide zij eindelijk, hem aanziende.

Hij glimlachte, nog zonder woorden. Toen zei hij: „Zwijgen is soms heerlijker dan woorden, vind-je niet?"

„Je bent 'n droomer," lachte zij plagend. „Ik hou meer van spreken, spreken over ons geluk ? Wil je ? Ik zou altijd wel weer van je willen hooren of je nu heusch, heusch zooveel van me houdt?"....

In haar stem was iets smeekends, iets als angst.

„Malle meid!" Hij schaterde, nu snel, veel pratend over allerhande dingen.

Rustig graasden de rood-bruine, wit-geplekte koeien op de groene landen; heel in de verte, aan den blauwen

Sluiten