Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Jansens, leunend tegen de wit-bestoven molentrap, had geduldig afgewacht tot Sijmen en Natte-Andries met den molenaar hun zaakjes hadden afgedaan, harrewarrend tot in 't oneindige over een paar centen, die Sijmen den vorigen keer te veel heette betaald te hebben.

Toch had de molenaar ze nu eindelijk weggekregen, en nu hij, als van een last bevrijd, zich achter 't oor krabbende, aan Jansens vroeg: „Zoo ouwentje, hoeveel van de week ?" haalde de oude man zonder spreken een ruwen linnen zak uit zijn binnenjas te voorschijn, liet dien uit de plooien vallen en verklaarde toen, haastig om den — tóch ontsnapten — schaterlach van den molenaar te bedwingen: „Me zusters zwager, de metselaar, komt Dinsdag voor een paar dagen op 't dorp; 'n karreweitje heit-i an de nieuwe arbeidershuissies; nou hê'k wat meer brood noodig, begrijp-i..."

„De nieuwe arbeidershuisjes, en dan de nieuwe stoomtram, o ja, de nieuwe stoomtram !" ... Terwijl de molenaar het meel afmat, dat wittig-wolkend in den zak gleed, babbelde hij honderd uit, eerst even nog over de huisjes

Sluiten