Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en toen over den nieuwen stoomtram, dien men van-uit stad door 't dorp bezig was aan te leggen, voor al de dorpelingen nu de gebeurtenis ...

Maar Jansens bad geen lust in praatjes. „Nou ja... nou ja... jij met je tram; wat weten jullie hier nou van een tram..." probeerde hij telkens krieuwelig zijn bedeesde, bibberende woordjes tusschen de jolig-ratelende zinnen van den ander in te schuiven, zonder dat deze in het minst zich daaraan stoorde.

„Voader, voader, moe vroagt. of-de effen komp," zeurde een kinderstem door een half-open deur. En de molenaar, haastig, zijn woordenstroom onderbrekend: „Ja, ja, wat is 't, ik kom...." waarna hij in de deur verdween.

Jansens was vrij; hij had nog niet betaald, maar dat zou hij den volgenden keer wel doen; nu maar gauw wegkomen, dat was 't voornaamste....

Zoo vlug zijn oude beenen hem konden dragen met zijn last, den tamelijk zwaren zak met meel, strompelde hij het klinkerplaatsje over en het tuintje door langs de bedden met goudsbloemen, die hel vuur-schitterden in de laatste zonnestralen. Gelukkig dat hij het dorp niet door behoefde om zijn huisje te bereiken. Dat was een voordeel, want hij was nu minder nog dan ooit gestemd praatjes te maken hier en praatjes te maken daar, zooals hij anders wel gedwongen was te doen, de enkele malen dat hij in het dorp kwam.

Langzaam sjoffelde hij den weg op, zijn mager, nietig lichaampje angstig-vergebogen onder den paffig-puilenden

Sluiten