is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zak, waar, bij iederen stap, een klein wit wolkje uit oppufte in de klare avondlucht. Links en rechts van den weg geelden golvend de korenvelden; roode klaprozen op hooge stengels spichtten er brutaal boven uit; een enkele teeder-blauwe korenbloem vlijde haar fijngekarteld kroontje als liefkoozend tegen de forsche halmen aan. Hoekig en lattig stond hier en daar op een veld een leêge wagen tegen den wit-grijzen helderen hemel; bol en zwaar-beladen reed ginds een andere langzaam van 't land af naar den weg toe, onder 't helder-lachen van boerejongens en -meiden en 't eentonig kreunen van de wagen-wielen in den stillen avond.

De zon was nu aan 't dalen; goud glansde over 't koren; een rood-gouden gloed ook scheen over den stoffig-grijzen dorpsweg te kruipen, waar Jansens, mager en nietig, voort-sjoff'elde, den loomig-puffenden meelzak achter tegen zijn schouder aan, waar het meel stuivig, telkens met het klein uitgepufte wolkje, tegen zijn vale stadsburgermansjasje aansneeuwde.

En onder 't gaan knorde hij nog zoo wat hardop over die malle boeren, Sijmen en Natte-Andries nu weer en dien gekken vent van een molenaar, die zich zoo druk maakten over twee, drie centen.... Al die kerels waren hetzelfde, boeren waren boeren, gierig en spotterig en lomp.

En grimmig in zijn geslotenheid slofte hij door, gebogen onder zijn vracht, recht ziende voor zich uit op den grauwen stoffigen straatweg.

Nu acht jaar was het geleden, dat hij de stad had