Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er aan genegenheid, aan hartstocht in hem was, zich gaan bepalen tot zijn werk. Hij haatte het, zijn werk, met den zwart-en-rooden, dreigenden haat van den door dat werk afgebeulden dier-mensch, maar juist daarom ook, vreemd-tegenstrijdig, had hij het lief. Het hooge, zwarte gebouw beminde hij, dat donker en machtig-dreigend koepelde en koepelde met zijn ijzeren welvingen over honderden zwoegende lijven heen; met zijn vuilige vensters had hij het lief en zijn sissende, grommelende, knarsende machines. En lief had hij, lief kreeg hij bij iedere grootere volmaking meer, meer bij iederen bout dien hij er voor smeedde, iedere schroef die hij er voor draaide, de producten die er verrezen, in langzame wording van dagen en weken, onder de zwarte, koepelende gewelven der fabriek. Locomobielen, locomotieven, ze werden, bout na bout, schroef na schroef, en zijn liefde voor ze was die van een kind, een vader en een minnaar tegelijk.

Zoo had hij zich opgeleefd, was oud en zwak geworden, ten laatste in een zware ziekte vervallen, die hem op den rand van 't graf bracht.

Toch genas hij, maar zijn krachten waren weg, voorgoed. Op de fabriek kon men hem niet meer gebruiken. Toen had de dokter hem gezegd, dat het eenige middel voor hem om op de been te blijven, zijn zou het voorgoed verlaten van de stad, het gaan wonen verweg ergens op een dorp, waar hij landlucht ademen kon en geur van mest.

Hij had niet gewild, eerst, had geroepen van geen geld

Sluiten