Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boeren schoven de woorden er over tusschen de doffe, gescandeerde dorschvlegel-slagen in: zé — vórderen — nóu — tóch — góed — mét de — tram....

De houding van de notabelen bij de gewichtige gebeurtenis was heel verschillend. De burgemeester klaagde bij den dokter steen en been over het poëtische dat nu hun dorp verliezen ging; de dokter zette een bedenkelijk gezicht bij 't vizioen van gebroken beenen en gekneusde ledematen; de schoolmeester deed heel gewichtig, trachtte met een air van geheimzinnigheid den gapenden boeren aan 't verstand te brengen, waar dit voor was en waar dat voor

Jansens was als uit een verdooving ontwaakt. Een nerveuze gejaagdheid, als een koorts, hield hem bevangen van het oogenblik af aan, dat de eerste hamerslag geklonken had.

Wat was dat!? Was het daar? Dat moest het wel

zijn, het bekende geluid, de helle klank van schetterend metaal. Daar zag hij de blauwe lucht niet meer en de korenvelden, goud in de zon. Daar koepelde, koepelde het dak weêr, gehouden door de dreigende ijzer-reuzenarmen en daar kromde hij weêr onder 't werk en naast hem, achter hem kromden anderen, zwart en somber en zwijgend, als gebogen onder een onverbiddelijk lot.... Zijn huisje werd hem te eng, de heldere dag buiten hem te licht. Hij greep om zich in het ijle, als moest hij ze opvatten, de staven, zwaar en reusachtig. Maar hij greep in de lucht; er was niets, niets

Sluiten