is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar zijn krachten schoten tekort; star en onwrikbaar bleven ze liggen, zilver-glanzend in het maanlicht

III.

Het was een regenige, stormige dag, waarop de eerste stoomtram rijden zou. Grauwige, vuilige wolken joegen door de strak-grijze lucht, als lorrige rafels; een fletse, waterige zon brak nu en dan even door en straalde in de plassen op de wegen, die kledderig waren en bijna niet te begaan. De stammen der boomen dropen, klammig en van een lijmig donker-groen; oude geteerde schuttingen dampten een muffen geur uit van vuilheid en verrotting. Wijd en grijs lagen de velden onder de dreigende regenlucht, waar de huizen klein en nietig leken, met als een parodie, een laffe, uitdagende spot bij zooveel treurigheid, de tallooze vlaggen, hel rood-wit-blauw wapperend van bijna ieder dak; klein-menschelijke feesting, kinderachtig en absurd. Ook de tram was opgesierd; oranje wimpeltjes slapperden er tegen den wind op, als kleine nijdige kereltjes; — de tram zelf, lang en zwart en stug, kuchte en proestte voorwaarts, rinkelbellend helder en kleintjes in de kil-vochte lucht; mollige wolkjes van witten rook uitstootend, toonend blank en zacht-rond tegen het norsche hemelgrauw.

En dringend, lachend en parapluënd, vrouwen de rokken