Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omhoog en wit-gekoust, verdrongen er de dorpelingen zich en gaapten naar de proestende, kuchende, bakbeestige tram.

Onder de dreigende regenlucht lagen wijd en groot de velden

Om negen uur, dien avond, was het al geheel donker. Jansens had het luik van het eenige venster aan zijn woning stijf gesloten, en terwijl hij binnen zat, alleen in het kale, armelijke vertrek, hoorde hij hoe de winden buiten aan alle kanten rukten, plof een pan afsmeten, rrrtsss stoven door 't hoog-opgeschoten onkruid in zijn verwilderd tuintje.

Jansens hield niet van zulk weer.

Vroeger, in stad, had hij er nooit om gegeven, het bijna niet opgemerkt, of de zon scheen dan of het regende; — voor de arbeiders aan de fabriek was het nooit zomer geweest. Maar hier stemde regen en wind hem bang en somber. Vage, angstig-makende stemmen hoorde hij er in, die hem 't zweet op 't voorhoofd brachten, zijn handen klam en beverig maakten. Vooral voor zulke avonden was hij bang. Dan voelde hij zijn alleen-heid dubbel zwaar hem drukken; dan kon hij, in zijn foltering, soms eensklaps heftig het verlangen hebben naar een wezen dat zich over hem ontfermen zou, bij wie hij beveiliging, bevrediging zou kunnen vinden. Dan vervloekte hij zijn egoïsme, dat hem zijn gansche leven alleen had doen blijven; dan voelde hij ook onherroepelijk dat het te laat was nu, te laat...

Sluiten