Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tastend en wankelend, voetje voor voetje, liep hij vooruit naar den straatweg. Een enkel flauw lichtje, ginds bij den tol, prikte door de dikke donkerte heen en gaf hem de richting aan in welke hij gaan moest. Bij iedere windvlaag schokten hem koude rillingen door het lichaam; een fijne motregen drong kleverig tusschen zijn kleêren.

Op den weg ging hij van boom tot boom, voorzichtig om niet in de sloot te raken, bij iederen boom ook even stilstaande en rustend. Hij voelde dat hij oud werd; het loopen tegen wind op ging bezwaarlijk meer.

Even voorbij den tol wilde hij de stoomtram opwachten ; als een kind verheugde hij zich in dat ééne oogenblik van hem te zien voorbij snuiven.

Nu kwam hij van de klifferige modderbrei op de harde klinkertjes voor het tolhuis, zacht-geel bestraald door een fladderend lantaarn-schijnsel. Verlaten, uitgestorven scheen het huis; alleen door reetjes in het vensterluik, gluurde licht.... Even bleef hij staan, zag naar dat luik, die lichtreetjes; — gezelligheid, huiselijkheid was daar; weêr even sterker dreinde dat verlangen in hem op.

Toen, dempende zijn voetstappen om niet gehoord te worden, ging hij weêr verder.

Nu stond hij op-zij van den weg, aan den kant van de sloot, in het weeke, natte gras. Zijn oogen staarden strak naar de zijde van waar de tram moest komen, staarden borend door den nacht. Tegen een boom leunde hij zijn moê, mager lichaam; ver en slap zakten zijn knieën door.

Sluiten