is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minuten, minuten verliepen. Niets dan het wind-gehuil, de doffe plons ook soms van een kluit losgeweekte aarde in de sloot.

Niets kwam nog, niets. Dan, eindelijk, een flauw getingel in de verte, eentonig gerhythmeerd, steeds naderend.

Hij had zich grooter opgericht, en luisterde. Was het daar??

Sterker en sterker, monotoon, naderde het aan door de duisternis. Nu kon hij al flets, als twee doffe vuuroogen, de lichten onderscheiden van de locomotief, — even later en hij hoorde het rommelstommelen der wagens al.

Nog eenige minuten verliepen. Daar ging de tram de bocht om langs den molen heen; het rommel-stommelde steeds nader.

Jansens stond in bevende afwachting. Herinneringen, stukjes van geleefd, gezwoegd leven nu jaren geleden, warrelden door zijn brein bij 't hooren der bekende machine-geluiden.

Nog enkele seconden en de tram zou langs hem heen komen. Driftig deed hij een pas voorwaarts van het gras waarop hij stond naar den weg, waar even nu bij een geleidelijk doorbreken van de maan door de zwarte wolken, de rails hem tegenglimmerden.

Toen was het als een weerlicht.

Hij glijdend-uit op de modder van den hellenden wegkant, vallend plat-neêr over de rails, terwijl, nu vlakbij, de tram aanstommel-stommelde.

Geknars van remmen, angst-geroep; een doffe, dreunende slag tegen zijn hoofd

1899.