is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Forsch en bruin, de stevige beenen in het goud-warrige hooi geplant, stond Garrit Bos in de brandende zon. De schei-blauwe licht-hemel klaterde zijn gulden zonne-vuur neêr op zijn bonkige breedheid; als iets reëels in al het onreëele van dien schitterwazigen licht-middag bewogen zijn armen zich op-neêr, op-neêr, piekte de gaffel in de hooi-warreling op den grond, droogknetterend, om dan de hooiplok öp te balanceeren en neêr te doen ruischen in de geduldige kar, waar het hooi zich stapelde, langzaam aan, gulden en schitterend, spritsend met lichtvonkjes en zon-schitterinkjes tegen het effen, diepe hemelblauw uit.

Stil vergingen de middaguren; stil, zonder zien links of rechts, stak Garrit hooi op, klakkend even met de tong soms: tsss, waarna het bruine paard twee stappen verder deed, de kar, hossebossend over de ongelijkheid van het land, een eindje voortreed, om dan weer te blijven staan, geduldig.

Zeven, acht passen achter, op zijn knieën in het brandend hooiland, krabde Hannes met zijn lompe handen samen wat er nog aan hooi lag, enkele halmen die den boer weer van den vork waren afgegleden of bij het samen-nemen tusschen de tanden waren doorgeschoten,