is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een armelijk hoopje, dat Hannes onder het langzaam voortkiuipen achter Garrit aan, met zijn linker elboog tegen t lichaam hield vastgeklemd. Zoo, spillend om zijn knieën heen, bewoog zijn lijf van links naar rechts, het hoofd naar voor gebogen, de domme, wezenlooze oogen in gestadig zoeken naar het minste strootje; roeide hij zich moeilijk voort met zijn nabengelende beenen, die de holsblokken meesleepten, lastig en onhandig. Toch zou Hannes nooit op de gedachte gekomen zijn, de klompen uit te laten bij het na-lezen. Hij hóórde klompen aan te hebben, standjes gaf zijn moeder hem als hij op zijn kousen over de deel liep, en Hannes wilde gehoorzaam zijn.

Zoo, terwijl hij kroop en schoffelde vooruit, werkten Hannes' hersens traag in den warmen middag. Zijn oogen keken schuins langs zijn arm neer naar het spichtig uitsprietend bosje onder zijn elboog, dat langzaam groeide, en dan dacht Hannes aan de geit, thuis in het schuurtje, hoe die 't van den winter warm en lekker zou kunnen krijgen, van den winter. Van Krelis had-ie een ouwe aardappelzak gekregen, maar heel goed nog, zonder gaten. Daar zou-d-ie het hooi innaaien, dan had ze 'n nieuwe matras, z'n moeder, en voor sik ging-d-ie morgen een plank zoeken om voor 't gat in z'n hokkie te timmeren, anders had sik 't zoo koud van den winter.

Van tijd tot tijd bleven Hannes' handen even werkeloos; dan steunde hij op bei zijn ellebogen om wat te rusten en keek naar een mier, die tegen een strootje probeerde op te klimmen.