Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't kleine hutje zaten ze om de tafel: moeder, zus Ant en Hannes; moeder bleek en mager in een helder katoenen jak, de zwarte haren ordelijk gekamd naar links en rechts van het hoofd, een rechte, bleeke scheiding in 't midden. Zus Ant morsig en vuil als altijd; een slons noemde moeder haar, 't geen Hannes nooit goed begreep. Hij noemde haar 'n smeerlap.

Nu, dat ze gingen eten, had hij zijn buis waarmeê hij op het land gewerkt had uitgetrokken en zat hij in zijn paarse boezeroen, de ellebogen op den tafelrand geleund. Vóór hem dampte de pap; blauwige wolkjes kringden langzaam op uit de blinkend-oranje teil; zes oogen. hongerig, verlangend, boorden er door heen.

Het wachten was op vader, die nog in 't dorp was en die vloekte en sloeg, wanneer ze begonnen zonder hem....

Eindelijk opende zich de deur; hel vierkantte het deurgat af in den donker-groezeligen hut-wand; daarin stond vader, rood en paffig, een oogenblik zonder iets te

zeggen Allen zagen naar hem, moeder vroeg: „Welnu

Arie, waorum blieft-oe staon?"

Toen strekte vader, zich heel breed makend, zoodat het licht-gat van de deur goed was versperd, den rechterarm naar voren. Een goud-fazant, dood, slap met den kop naar omlaag hangend, hield hij bij de pooten in de hand.

„Vandaog is 't smullen kinders. op de gezondheid van de b'ron," lachte zijn dikke stem.

Sluiten