Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's eens iets doen kon om zusje zijn dankbaarheid te toonen en tegelijk dien anderen, dat hij zoo gek niet was als ze wel meenden....

Sinds waakte en droomde hij nog slechts met dat ééne....

Op een avond, toen het buiten stormde en de regen kletsend tegen 't raam zwiepte, was zusje eensklaps heel benauwd geworden. Bewegingloos lag ze in een stoel gestrekt, de witte handjes slap langs 't lichaam, de oogen gesloten, het hoofd voorover op de borst gezakt. Moeilijk, pieperig zaagde haar adem door den open mond; een paarse gloed lag over haar gansche gezichtje.

Vader was sinds eenige dagen niet thuis geweest, wildstroopen, vertelden ze in 't dorp, en moeder en zus Ant hadden radeloos een paar buurvrouwen geroepen, die nu allen, in een kring, om den stoel heen stonden waar zusje lag. Hard, meedoogenloos praatten allen door elkaar, hun rauwe straat-stemmen snijdend door de zware ziekenatmosfeer van de hut.

In een hoek zat Hannes, doodstil, en staarde maar

Zijn hersenen leken een dikke brei, zijn hoofd was zwaar en alle gedachten waren weg.

„En was d'r maar 'n dokter in de buurt," snerpte Griet Fles, „maar 't is meer dan een uur loopen langs den binnenweg, en over den dijk is onmogelijk met dat stormweer."

Allen stemden toe, druk en lamenteerend. Ineens schoot als een flits door Hannes' brein; het was de dagen-

Sluiten