is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lange peinzing, die nu eensklaps ophelderde in de doffe wezenloosheid waarin hij zat: als hij eens ging over den dijk, dan kon hij in tien minuten bij den dokter zijn, dan zou zusje niet behoeven te sterven en misschien.... zou men hem dan niet meer „Gekke Hannes" noemen!....

Hij was uit zijn hoekje te voorschijn gekomen. „Ik zei den diek over," zei hij kalm, waarna een koor van kreten jauwend: „Gie 'neuzele jong, gie papzak!" samenstemmend tot den immer weêr herhaalden terg-kreet: Gekke Hannes! Gekke Hannes!....

Maar sterk en groot voelde Hannes zich, een man. „Ik zei 't doen," zei hij alleen, opende de deur van de hut, en stond in storm en regen buiten.

Langzaam, voorzichtig, kroop hij den dijk over, klemmend zijn vingers vast in de weeke modder, om niet door een windhoos te worden opgenomen en neergekwakt in het kanaal. Hij vorderde heel langzaam, uitte soms een lichten kreet van angst, maar vorderde toch, vorderde toch....

Eindelijk had hij 't eind van den dijk bereikt; nu linksaf door het erf van Peter de Roo, een eindje straatweg en dan was hij er, en zusje geholpen!

Langzaam, voetje voor voetje, kledderde hij door 't smalle paadje tusschen Peter de Roo's kolen. Ineens grijpt een uit het hakhout te voorschijn komende vuist hem aan, drukt hem neer, als was hij een kind, op den grond. Twee, drie mannen springen op hem toe, juichend.