Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Traag, nog half onwillig, zei Ka-Bet toen: „Nou goed, la-me dan maar gaan "

Zij zaten nu in den tuin van „Veelust", aan een klein houten tafeltje, dat met den poot in den grond gedraaid stond, als een reuze-paddestoel. Bas bestelde een anizetje en een klare, die door een man met polka-haar gebracht werden.

Het was een kale rommelige tuin. Hier en daar spriette een mager boompje op uit de zwart-korstige aarde; wat armelijke, reeds half verdorde bladertjes klapperden zenuwachtig, als verschrikte vogeltjes, bij ieder windje tegen de dunne takken aan. Verder hing er een schommel tusschen hooge palen, sufferig en leeg in de zon. De grond was overal stijf getrapt, met sinaasappelschillen en snippers papier daar tusschen vastgesteven, als een verward, gemeen mozaïek.

Achter in den tuin stond een houten prieel, van binnen met kleurig behangselpapier beplakt. Daar zouden straks de muzikanten zitten.

Opzij, waar Bas en Ka-Bet zich gezet hadden, liep een kroosige sloot met enkele eenden, die voor 't meerendeel slaperig aan den kant zaten. Aan den overkant van de sloot een timmermansloods van ruwe planken, ongeverfd, gillend-wit in de volle zon.

De schommel kreun-piepte nu onder 't gewicht van eenige opgeschoten jongens en meiden, in hemdsmouwen en met floepende rokken.

Sluiten