Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ajü Ka! "schreeuwde een der meiden van uit de

hoogte naar Ka-Bet. Die zei van een schoolvriendin

van vroeger en van zoo graag 's meê willen doen

„Kom je óók, Bas? "

Er waren er nu twee van den schommel afgegaan, om plaats voor hen te maken. Zij stonden er thans met zijn zessen op.

„Hüü, stokertje, zet 's wat stoom! " gilde Ka-Bets

vriendin.

De muzikanten waren nu óók gekomen en begonnen een deuntje. „En de wieken van de molen draaien rond!" zong een der jongens meê.

Maar Ka-Bet kreeg duizelingen, en wou al gauw van den schommel af.

Zij zaten nu weer aan hun tafeltje bij de kroossloot. Een der jongens, met wie ze zoojuist geschommeld hadden, kwam naar hen toe. Dat leek zoo'n heertje.... dacht Bas; 'n facie om een opflikker te geven!....

Het heertje kwam bij hun tafeltje staan; tikte even aan zijn hoed. Hij had een blond, touwig snorretje, en een vlassig sikje onder zijn kin. Dan droeg hij een licht-bruine demi en een hei-groene das.

„Wat mot je?" vroeg Bas ruw, toen hij niet wegging. Het heertje grinnikte.

„Dat was Bert de Haas, die pas dat kefeetje op den

hoek van de Turfgracht gekocht had " stelde Ka-Bet

voor.

„Zoo, en wat zóu dat?...." bromde Bas.

Sluiten