Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Vrouw Messers liep haastig door.

Er woei een nattige wind, die haar in't gelaat kwakte, telkens als zij een hoek om ging; de slippen van haar grauwen omslagdoek flapperden achter haar aan.

„Goddank dat het afgeloopen was!" Dit was haar eenige gedachte, den ganschen terugweg naar huis; ze voelde zich zoo licht, zoo opgewekt, als was ze nog in haar jonge jaren.

't Was stil in de straten, waar ze door ging; de hobbelige keien glimmig en vet van modder en regen; de huizen, meest kleine winkeltjes van garen-en-band, fruit en sterken drank, schenen uitgestorven; hulpeloos en wrak leunden hun gore, grauw-berookte muren tegen elkaar aan, — ginds, op een stoep, snuffelde een straathond aan een hoopje vleesch-afval, dat een slagersknecht een oogenblik te voren daar had neêrgekletst.

In 't voorbijgaan gluurde zij er even naar; lekker, zoo fnsch rood en geel as-'t-er uitzag dacht ze, meteen

Sluiten