is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij, staande voor de kachel, al roerend, gluurde nu en dan even, ter sluiks, naar hem om. Hij zat daar stil en in elkaar gezakt, zijn bovenlijf gebogen over zijn dijen heen, zijn handen, de zwarte vingers wijd-uit gespreid, steunend op zijn knieën, zijn hoofd, een ruige, donkere massa, slap-geknakt neêrhangend op zijn borst. En het waren, in dat baardig gelaat, alleen de oogen, die zij bij de kachel onderscheiden kon en die groot-rond, met veel wit, onbeweeglijk van onder den donkeren haar-bos staarden naar den pot op het vuur.

Onwillekeurig doorvoer haar een rilling. Zoo, als hij daar zat, breed en zwart, met alleen, wit, die oogen, die loerden, geleek hij een wild beest, dat ieder oogenblik op haar af zou kunnen springen.

Toen, een nog grootere huivering bij de gedachte, dat

hij nu dadelijk over Marie kon gaan spreken

Maar weer klonken stappen in het steegje; hooge, schrillachende vrouwestemmen. Dat waren haar stiefkinderen, die thuis kwamen. Zij kromp ineen, voor 't fornuis. — O, God, o God, nou zou 't weer beginnen.... nou zou

j-n-'et weêr hebben.... over Marie d'r kind d'r

lieve, goeie kind

Martha, een lange, pokdalige meid, die op te wijde klompen het keukentje binnenkloste, begon er ook dadelijk over: „Nou, most de juffrouw van d'r hebbe?"....

Zij antwoordde niet terstond, tilde met beide handen den pot van 't vuur, goot de pap over in een aarden teil, welke ze op tafel zette. Het bloed was haar naar