is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo grappig in zijn zwart gezicht, dat altijd vol roet zat, omdat hij in de machinekamer werkte.

Sedert dien dag liep hij eiken avond, als zij naar huis ging, een eind met haar meè; hij woonde in dezelfde buurt als zij. De meiden van de fabriek begonnen er haar al meê te plagen en sommigen kwaad van hem te spreken: dat ze wel op mocht passen, want dat-i niet deugde al had-i ook nóg zulke mooie oogen en al verdiende-n-i ook nóg zoo'n hoog weekloon....

Ze fluisterden van een meisje, waar hij het leelijkmeê had laten liggen en hij drónk óók, vertelden ze.

Maar zij had ze maar laten praten; jaloerschheid, anders niet, en dan nog.... het kon toch immers geen kwaad dat hij eens 'n keer met haar meeliep? Trouwen of zoo. ho-maar! daar dacht ze niet aan; hij was maar een fabrieksjongen en met een fabrieksjongen trouwde ze nooit, nooit!.

Toen, — 't was een paar dagen voordat de kermis begon — vroeg hij haar, of ze met hem wilde kermishouden. Even had ze geaarzeld, maar hij had zoo aangedrongen, dat ze er al gauw in had toegestemd. — Wat hadden ze samen een pret gehad, die dagen! Hij was overal met haar heen geweest, in de draiumolens, de honden-en-apen-spellen en koek- en wafel-kramen. En zoo netjes as-d-i zich gedragen had; nooit een onbehoorlijk woord of te veel gedronken. Ze zag nu wel dat al die praatjes van de meides op de fabriek maar jaloerschheid was.

Toen, den laatsten kermisdag, een Zondag, was 't ge-