Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurd. Ze hadden allebei genoeg gekregen van dat pierewaaien langs de kramen en hij had haar gevraagd liever wat met hem buiten de stad te gaan wandelen.

't Was een heerlijke avond. Buiten de stad, over de weilanden, hadden ze de zon zien ondergaan. Zwijgend, naast elkaar, hadden ze door 't lange gras geloopen en toen ze wat moe geworden was, waren ze in een boschje aan den kant gaan zitten.

Er was geen levend schepsel in den omtrek geweest, behalve zij tweeën. In het dicht begroeide boschje zaten zij als in een prieel van enkel groen. — Toen, in die landelijke stilte, had ze hem van hare verwachtingen gesproken. Ze was nog zno'n kind geweest, zeventien jaar, en het was niet bij haar opgekomen of haar woorden hem ook boos of verdrietig zouden kunnen maken. Zij had hem verteld, hoe naar ze 't op de fabriek vond en hoe akelig en vuil ze het thuis hadden in hun keldertje en hoe haar vader altijd dronken was en haar en haar broertjes en zusjes sloeg en hoe haar moeder nooit meer bij hen kwam in de laatste weken en hoe de buren zeeën, dat ze 't met 'n ander hield....

Toen ze dat vertelde, van haar moeder, had ze weèr die witte tanden gezien, als had Messers even, bijna onmerkbaar, gelachen. Maar op dat oogenblik, dat ze daar zaten in het stille boschje, had zij daar niet verder over gedacht, had maar voortverteld, van Anna Bakker, en hoe zij óók hoopte met een ambachtsman te zullen trouwen en een mooi huisje te krijgen in een van de nieuwe wijken van

Sluiten