is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de stad, ver van hun steeg en ver vooral van die vieze, zwarte fabriek. — Toen hadden ze een tijdje geen van beiden een woord gezegd; Messers had kleine steentjes in de sloot laten plompen, waardoor het water zilverig omhoog spatte.

En toen had hij opeens zijn arm om haar heen geslagen en haar naar zich toe getrokken en gefluisterd of ze dan heelemaal niet van hém hield en dat ze toch maar een gewoon fabrieksmeisje was en dat ze tóch nooit met een ambachtsman zou trouwen; dat was wel met Anna Bakker gebeurd, maar dat kwam omdat die d'r ouders een erfenis gehad hadden en een winkeltje hadden kunnen koopen. Maar hoe zou ooit een burgerjongen hetuv vragen, die wel nooit een erfenis krijgen zou, evenmin als hij, Messers, en die d'r ouders dikwijls niet eens genoeg hadden om hun kinderen te eten te geven? En mocht ze dan om zóó iets, dat tóch nooit gebeuren zou, hem, die zoo veel van d'r hield, die - en hij had zijn arm vaster om haar heen gekneld - alles, alles voor haar over zou

hebben, zoo'n verdriet aandoen?

Opeens was toen die twijfel in haar wakker geworden, de twijfel aan wat ze zoovele maanden zich voor een toekomst had gedroomd. Het was wel waar, ze was maar een arm, vuil schepsel, naar wie wel nooit een fatsoenlijk ambachtsman zou willen omzien. Ze voelde zich toen ineens zoo zwak en ellendig, dat ze wel op de plaats zou hebben willen sterven....

Maar Messers had haar nog dichter tot zich getrokken,