Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar eens, als kind van zeventien jaar, zoo zwak gemaakt had, of' zij ze van hem wilde aannemen. Marietje was doodziek en.... ze was toch ook zijn kind.

Zwijgend had ze geknikt en hij was dadelijk daarop vertrokken. Maar den volgenden avond was hij teruggekeerd en den daarop volgenden avond weêr... en zoo waren ze langzamerhand weêr tot elkaar gekomen en samen gebléven.. Haar leven was er niet beter op geworden. Messers was de knappe jongen met de mooie oogen van vroeger niet meer. Die oogen waren nu dof en kregen meer en meer een zeker iets, waarvoor zij bang was.

Sedert hij haar een paar maal geslagen had, was het leven voor haar een hel geworden! Hij had zich toen in zijn volle beestigheid aan haar getoond, en voortaan kromp zij weg als ze zijn voetstap maar hoorde.

Ook voor haar stiefkinderen — de kinderen van Griet Busman — was ze bang. Haar heele bestaan was van lieverlede één angstig zich verbergen geworden voor al de dierlijkheid en ruwheid om haar heen. Eén ding bleef haar geluk; dat was Marie.

En langzaam aan, bij 't ouder worden van dat kind, had zich het vast besluit in haar gezet, Marie te behoeden voor al de zwarte ellende waaraan zij, haar moeder, had blootgestaan. Nooit zou Marie op de fabriek werken en nooit ook zou Marie een fabrieks arbeider trouwen. Wat zij zich als jong meisje zoo vaak gedroomd had: een toekomst van rustig-kalm geluk aan de zijde van een

Sluiten