is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Wel even had het haar geschokt, wreed-pijnlijk. Maar dan had ze gelachen. Het kon immers niet.... het kön toch niet

Toen was het eens — een avond dat Gerrit wegens drukte aan zijn winkel eerst wat later komen zou — dat vrouw Messers, tegenover Marie aan de tafel gezeten, zich zoo anders gevoelde dan gewoonlijk. Geen moeheid drukte haar leden neer; een weeke verteedering van het heden bij een klaren terug-blik nu eensklaps weêr op wat lang, lang geleden was geweest, gaven haar de wonderlijke behoefte haar kind, nu hier, in den vallenden schemer, te spreken van wat zij altijd, als beschaamd, stilzwijgend en van haar alleen gekend, had in zich öm gedragen.... Zij schoof haar stoel dicht bij dien van haar dochter, sloeg haar arm om den hals van het meisje, haar gezicht dicht bij 't gezicht van het kind.

En in blijde zekerheid van wat nu gauw komen ging, haar wensch van jaren, jaren, het doel van gansch haar armelijk sjouw-bestaantje, fluisterde zij met gesmoordtrillende stem haar verwachting; van Gerrit, die goeie jonge, en hoe ze zorgen moest een brave vrouw voor hem te worden.... En toen, in den weeken weemoed van de naar binnen weenende duisternis, sprak zij van haar eigen meisje-zijn, nu lang, lang geleden; van haar verwachten, eens, datzelfde geluk te zullen vinden....

En haar oude stem werd dof en schor, nu zij sprak, bijna onhoorbaar, van Messers, den jongen, knappen werk-