is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meestal waren deze dagen — van den nawinter — droog en guur gebleven, met nijdige rukwinden van over de landen, die tegen de huisjes kwakten en diepe voren veegden in 't water van de vaart. Soms ook fronselde de lucht zich tot een stroeve regenbui, die alles klam en kil maakte en in het vlakke vaartwater met vuilige droppels opspetterde. Een enkele maal slechts scheen de zon, bleek en waterig tusschen groezelige wolkflarden uit; dan groenden de velden wat frisscher op, schenen de huisjes zich wat te heffen van onder die benauwende obsessie, met het even-lachen van een rood dakje, het even-tintelen van een ruit. Dan scheen het water van de vaart voor een oogenblik minder grimmig en ondoorgrondelijk diep; als een waasje van blauw zweemde aan het oppervlak, waar kleine, kittige goudvonkjes ronddartelden.

Maar zulke dagen bleven uitzondering. Meestal hielden de hooge luchten hun booze frons; lagen de weilanden ver en wijd en onherbergzaam, van zwartige slooten doorlijnd, — lag het dorp weggehurkt onder de obsessie; grimde, zwart en klotsend, de kille vaart - -

Er vertoonden zich, nu 's winters, zelden menschen in den omtrek. De huisjes waren voor 't meerendeel kleine winkeltjes, waar de boeren uit 't omliggende hun waren kochten, en kroegjes waar zij Dinsdags en Vrijdags, wanneer 't marktdag in stad was, aanlegden. Verder woonden er enkele arbeiders die op de naaste hoeven los werk

12