is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om, des zomers fel-groen uitliggend in de schroeiïng der zon, 's winters dood en besneeuwd, uren ver.

Toen, — nu het languit heerlijk luieren, heele zomerdagen aan den kant van 't water in de zon, haar vroeger spelen op de brug vervangen had, — was ook eerst die omgeving in vast beeld voor haar blik verstard, zoodat zij, ook met toe-oogen, haar geheel en immer onveranderd, op ieder uur in haar gedachten kon te voorschijn roepen.

Eerst was er hun lage, groezel-witte huisje vlak aan 't water, er om heen het moestuintje waarin haar grootvader werkte, de oogenblikken dat hij niet met de brug bezig was, 't geen lange, lange uren waren, want er voeren op gewone dagen maar weinig schepen voorbij.

In 't moestuintje dorden wat aardappelen, en boerekool die frommelig en rimpelig, amechtig in 'tzand slierde.

Grootvader zei, dat het van de zon kwam, maar Bertha heeft altijd geloofd dat hij er als groenten-kweeker maar zoowat met de muts naar gooide.

Dan was er, even op-zij van het huisje, de brug, groot en zwaar, als een ijzeren monster laag neerhangend over de vaart. Aan de kanten de ijzeren leuningen, lichtgroen geschilderd, beverig hun reflex afwerpend over 't water.

Onder de brug de holle, donkere ruimte wat zou je

stem daar grappig in galmen had ze dikwijls gedacht.

— Dan verder, gezien van uit hun moestuintje, aan de overzij van de brug den rooden aardweg, die met een forschen draai naar rechts boog en langzaam afglooide