is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad .... dacht Bertha wel eens. En toch zag hij er heelemaal niet als een heer uit.

In huis had hij een kalig kalotje op zijn grijze, sluike haren, maar buiten in zijn moestuintje of als hij de brug open draaide een pet met glimmende klep en een breeden, rood-zijldoeken rand, waarop gouden letters stonden en het wapen van het Rijk

Bertha was altijd een beetje bang voor haar grootvader geweest, van heel klein kind al af. Bang voor dat oude, gele rimpelgezicht, waarin de oogen, doffe, glanslooze oogen, diep lagen weggezakt. En bang ook voor zijn stem, een schor, zeur-hakkelend stemmetje, waarbij 't was of de woorden eerst moeilijk door zijn keel getrokken werden en dan plotseling, brabbelend, hem den mond uitvielen.

Er had ook nooit vertrouwelijkheid tusschen hen beiden bestaan, en zoo kwam het dat zij hem nimmer had durven uitvragen over dingen die haar, in haar lange mijmerijen in het hooge gras aan den waterkant, toch zoo vaak vervuld hielden. Haar vader had zij nooit gekend; van hare moeder bewaarde zij nog een flauwe, verre herinnering: een donkere winteravond in grootvaders klein kamertje; ze was toen nog heel klein; buiten had de wind geloeid over de velden en 't water in de vaart had maar eentonig heen en weer geklotst. — Een lange, bleeke vrouw, die was binnengekomen, al maar snikkend, en die had haar gekust en met grootvader gefluisterd, die toen zoo raar met zijn handen gedaan had, net of hij