is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolkenlucht en tintelde in 't nog natte gras der weiden. Als reepjes goud wiebelden op 't licht-bewegend water van de vaart.

Zij, met haar mandje, ging de brug over naar den anderen kant, stapte daar door 't lange, dauw-vochte gras naar 't vlondertje. Gezond en slank, in haar werkpak, stond ze daar een oogenblik, liet haar oog gaan over de velden aan de overzij van 't water, waar een blauwige nevel hing, die 't ver-uitzien belette. Toen — één — twéé — had ze haar beide mouwen opgestroopt, bond haar bruinen rok in 't paars geruite boezel en ging op haar knieën op 't kroozige vlondertje liggen.

Een oogenblik later was zij in vollen gang. De stukken goed brobbelden en slokkerden in 't water heen en weêr, van links naar rechts, rechts naar links bewogen door haar krachtig roeierende roode armen. Ze hijgde van de inspanning; ze voelde hoe het bloed naar haar tintelende wangen steeg.

Opeens het schuivend gesuis in 't gras van voetstappen achter haar. Ze zag om. Joost Brammen stond daar, grijnslachend; zei een aardigheid die haar blozen deed.

„Vooruit, hoepel op " zei ze snibbig, haar wasch-

goed te zamen zoekend, „Om je centen maal ik niks...."

Een roep galmde door de lucht; Sanders, aan de overzijde in zijn tuintje bezig, wipte óp van tusschen de boerekool, als was op een veer gedrukt; scharrelde op zijn trillende beentjes zijn huisje binnen; kwam even