is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een groot, groen oog in de duisternis brandde op de brug de lantaren. Ze was even in hun moestuintje naar 't water blijven kijken, dat onder 't fletse schijnsel bij de brug flauwtjes glimmerde. Af en toe deed een plotse windvlaag van over de landen het brobbel-klotsen tegen den kant.

Dan stond ze op de brug, haar armen over de leuning heen, te staren in het donker. — Lekker, zoo 's nachts buiten, als alles zoo stil is om je heen.

Ginds, in de verte, waar de huizenrij van Wemel lag, flikkerde een bleek lichtschijnsel. Dat was zeker bij Joost Brammen, dacht ze; daar bleven ze soms nog zoo laat zitten plakken

Opeens hield ze haar adem in; luisterde, 't Was net of ze voetstappen hoorde op den weg, in de verte. Nee, nu was 't weer stil.... hoor!.... daar had je't weêr!....

van den kant van Wemel kwam het God! wie zou

dat zijn.... wie moest nog zoo laat dezen kant uit!

Grootvader? Onzin, die sliep, die had ze immers hooren stommelen in z'n bed.... Maar.... as-d-i nog 's uitgegaan was, je kon niet weten, hij deê zoo raar in den

laatsten tijd. Ach, malligheid ommers. God .... als het

Joost.... toch eens was!....

Opeens weêr al haar angst in haar terug. Haar beenen trilden; 'tkoud zweet brak haar uit. De stappen op den

weg, in de duisternis, naderden, verstomden dan even

en naderden weêr. God, wat moest ze dan, wat moest ze dan toch .... Daar had je n'm .... daar had .... je