Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht-zettende mannen, werd de kist van boven de ruimopening weggetrokken; het wiel der machine liep ratelend af, en met een dof-hol plofje viel dan de kist op de dekvlakte neer. Over de zwiep-krakende loopplanken gekanteld werden ze daarna op karren gesjord; mannen vloekten; paarden werden schichtig; betrappelden zenuwachtig de glooiende straat; trokken-aan als de kar was volgeladen; trapten vonken en gleden schurend uit in 't geklitter der hoeven. Vloeken regenden; zweepslagen door-zjoepten de lucht.

Teêr-schuchter-groen, van al het gewriemel der kaden onberoerd, rijden wazig de jonge lente-boompjes langs de kleurende huizen weg, in een goud-blauwen nevel van zon....

II.

Verkamp was dien morgen al vroeg op zijn post. Op den drempel van zijn herbergje, gemakkelijk leunend tegen een dei deur-stijlen, achter zich de lekkere schaduw van de gelagkamei, vóór zich het lekkere blauw van de lucht en het waas-groen der boompjes en de zon en de roezemoes bij de schepen, waar hij zoo heelemaal niets meê van-noode had, en, als hij snoof, zoo die lekkere lente-geur met een ietsje, een zweempje van bier en jenever daartusschen uit de koele gelagkamer in zijn rug stond hij daar zoo knusjes in zijn fluweelen pantoffeltjes en zijn lustre jasje, dat hij niet nalaten kon, wat minachtend-medelijdend neêr te zien op al 't ge-

Sluiten