is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een zonnestraaltje had in haar oogjes gekriebeld, die dadelijk geheel waren open gegaan en groot, wijd en grijs nu staarden naar de behangbloemen op-zij van haar bedje, roode rozen in slingers van hard gras-groen.

Toen tastten haar handjes naar de kousen, die op een stoel bij haar hoofdeinde ineen gekrinkeld lagen, en vlugjes schoof zij ze over haar bloote voetjes heen. Handig wurmden haar vingertjes, kleine, vuile vingertjes, daarna de banden van haar rokjes vast en peuterden de knoopen van haar jakje éen voor een in de knoopsgaten.

Haar gezichtje, bruin en wat sproetig onder 't ragebollig, blonde warrel-haar, dompelde zij proestend in een kit met water, dat het spetterde op den houten vloer rondom en donkere kringen maakte op het roode-rozen-behang. Net een klein vrouwtje leek zij zoo in al haar stille doen, leven brengend en bedrijvigheid in de nog dommelende kamer.

En bij alles bleven haar oogjes wijd en grijs, vreemdkoel-onverschillig in zulk een kindje, als van staal en als leefden ze niet mee het bedrijvige aankleeden en het ploeteren in de kit.

Toen Fietje klaar was, trippelde ze haastig naar de deur, de gang op, trapje af en de gelagkamer door naar de zon, de lucht, die Verkamp met zijn lustre jasje half onderschepte.

En het kind duwde het jasje op-zij, in die eigen onverschilligheid van haar grijze oogjes, - trippelde nu, blond in de zon, de hobbel-keien over van de kade, naar het water.