Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter haar riep de stem van Yerkamp, lokkend-klokkend met de tong, zijn dochtertje, dat naar de koningin op de prent heette: Sophie; voor wie het gansche goedje later wezen zou. Een sjijne dame zou ze worden; dat stond vast!....

Bij de schepen had het werk, zwaar en kreunend, zijn loop gehad. De zon, hoog brandend in de blauw-egale lucht, spieste nu recht zijn stralen neer op 't gerommel van schetterend-wit-houten kisten, 't gewriemel van mannen en paarden en wagens. Het werken ging in een blau w-gouden licht-damp: wolken guld-poeierig stof vlaagden óp onder het neerploffen der balen; de grijze keienstraat schitterde als van millioenen vonkjes.

De werkende mannen veegden zich ieder oogenblik met de mouw van hun paarse, bruine, blauwe boezeroenen het klaar-paarlend zweet van hun rood-gebrande gezichten af.

Maar achter al dat werk-geweld, het drukke gedoe bij 't lossen der booten, stroomde de rivier, breed en goud, zoo rustigjes en zoo zeker, huppelend en prettig deinend, in klikkende klotsingen, telkens, als uitdagend, het stugge wal-plankier met de tippen van zijn hupsche golfjes licht

bemeppend En verderop, waar de kaden eindigden,

de wijde ruimte allerwege van de groene landen, waarboven hoog en blauw en ver, de lucht vol zon

Sluiten