Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fietje had eerst wat tusschen het geroezemoes bij de schepen rondgescharreld. Vlak aan 't water had zij gestaan en haar stalen oogjes hadden gevolgd de draaiende wielen van de hijschmachines, het knarsend gezwaai der zware ijzeren kettingen, die de balen uit de holle diepten ophaalden.

En Fietje liet haar blikken in die diepten gaan, waar pakken en manden nog opgestapeld lagen in den geheimzinnigen schemer; ze kreeg zoo'n prettig-kriebelig gevoel daarvan. Zij wilde 't nog van dichterbij zien; toen zij meende dat niemand naar haar keek, ging zij de loopplank van een der booten over en bleef op het dek, naast een groote mand, staan kijken. — Groote, harige mannen zeulden de kisten naar den wal; hun stappen dreunden over 't ijzeren dek, dat het Fietje wonderlijk rommelde in haar borstje.

Van tijd tot tijd liep er een tegen haar aan; ze was zoo klein; en dan wankelde ze even. Maar ze stond stevig op haar beentjes, en als het niet zulke héél gróóte mannen waren, dan durfde ze wel, heel eventjes, terug te duwen en dan lachten de mannen meest en knepen haar in de wang. Maar zij lachte nooit terug: haar gezichtje deed nooit meê met al de gevoelentjes en gedachtetjes, die 't omringende haar gaven. Alleen haar borstje lachte, als de mannen over 't dek daverden.

Toen, na een tijdje, ging ze op het dek wat rondloopen. De mannen kenden haar wel: Fietje uit „De Goudsbloem" aan den overkant, waar ze hun borreltjes dronken. Zij gluurde langs de koper-geroede traptreedjes neêr

Sluiten