is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de kajuit van den kapitein. Die lag half-onder-water, dacht Fietje. Aan den buitenkant kon ze zien, dat het water tot aan de raampjes stond. En haar stalen oogjes keken naar den vloer, als wilden ze dien doorboren tot het water toe, en met haar gedachten ploeterde zij daar al prettig in rond, dat ruime, frissche, donkere, geheimzinnige water, zooals ze 's morgens plis-plaste in de kit.

Maar al gauw keek ze toch weêr naar het roezige werk bij de ruimen. De mannen waren zoo hoog, hun monden en snorren en oogen waren zoo héél hoog boven Fietje uit en ze kende zoo al de bewegingen van het lossen, omdat ze er dagelijks zoo naar stond te zien.

Alles ging snel en regelmatig, telkens weêr op dezelfde wijs. De man in het ruim die den ketting met een haak om de kist vastlegde; daar hoorde dat knierpige gerammel bij. „Hó-ö!" riep dan de man naar boven en dadelijk begon de stoommachine proesterig te kuchen en draaide het wiel. In langzaam schommelen ging dan de kist omhoog; drie, vier mannen hielden boven den ketting vast, waaraan ze duwden of trokken, dat de kist niet tegen hoeken stootte; ze vloekten en schreeuwden tegen elkaar. „Verdome Jaan, trekke daèu, trekkèèè! Bliksems dan toch, niet late schietèèè!"

't Was altijd een groote, rooie, in een paars boezeroen, die 't hardste schreeuwde. — Fietje was een beetje bang voor dien man en toch stond ze altijd te kijken of hij weêr bij den ketting was; hij hóórde er bij ; de kisten kwamen er zoo mooi en zoo precies uit als hij er bij stond.

14